Van alle negen WFT-modules is Vermogen de absolute uitblinker — in negatieve zin. Slechts 44% van de kandidaten slaagt voor dit examen. Ter vergelijking: bij WFT Basis is dat 71%. Wat maakt Vermogen zo lastig, en belangrijker: hoe vergroot je je kans om bij die 44% te horen die wél slaagt?
De cijfers: slagingspercentages per module
Het CDFD publiceert geen officieel overzicht van slagingspercentages, maar uit branchecijfers en opleidingsinstituten komt een duidelijk beeld naar voren. WFT Basis scoort het hoogst met circa 71%. Zorgverzekeringen en Consumptief Krediet zitten rond 65-70%. Schade Particulier haalt ongeveer 60%, Schade Zakelijk en Inkomen 55-60%. Hypothecair Krediet zit rond 50%, Pensioen rond 45-50%.
En dan WFT Vermogen: 44%. Minder dan de helft van alle kandidaten slaagt. Dat is opvallend, want het examen heeft dezelfde slaagnorm (68%) en hetzelfde format (50 vragen, 100 minuten) als de andere modules.
Twee modules in een: beleggen en levensverzekeringen
De voornaamste reden voor de moeilijkheidsgraad is de breedte van de stof. WFT Vermogen combineert twee voormalige aparte modules — Beleggen en Leven — in een mega-module. Je moet zowel beleggingsproducten (aandelen, obligaties, ETFs, fondsen) als levensverzekeringen (lijfrentes, kapitaalverzekeringen, uitvaartverzekeringen) beheersen.
Daar komt bij dat de beleggingskant steeds complexer wordt. Sinds MiFID II moet je als adviseur niet alleen productkennis hebben, maar ook het volledige adviesproces beheersen: risicoprofilering, beleggingshorizon, risicobereidheid versus risicodraagkracht, en de geschiktheidstoets.
ESG en duurzaamheid: de nieuwste valkuil
Sinds 2025 is duurzaam beleggen een prominenter onderdeel van het examen. De SFDR (Sustainable Finance Disclosure Regulation) verplicht adviseurs om duurzaamheidsvoorkeuren uit te vragen bij klanten. Je moet het verschil kennen tussen artikel 6-, 8- en 9-fondsen, weten wat de EU-taxonomie inhoudt, en kunnen uitleggen wat ESG-criteria betekenen voor de portefeuillekeuze.
Dit zijn onderwerpen die veel kandidaten onderschatten. Ze studeren uitgebreid op obligatieberekeningen en risicomaatstaven, maar vergeten de regelgeving rond duurzaamheid. In het examen kunnen hierover meerdere casusvragen voorkomen.
Waar de punten zitten
Het examen kent verschillende vraagcategorieen. De zwaarst wegende categorie zijn de VC-vragen (vaardigheden en competenties): hierop kun je tot 50 van de 72 punten scoren. Dit zijn casusvragen waarbij je een complete klantsituatie analyseert en een beleggingsadvies formuleert.
Dat betekent dat puur kennisvragen — definities opdreunen — je niet gaan redden. Je moet de stof kunnen toepassen. Kun je uitrekenen wat het verwacht rendement is na kosten? Kun je bepalen of een fonds geschikt is voor een klant met een defensief risicoprofiel en een horizon van vijf jaar? Dat is wat het examen toetst.
Studieadvies: zo pak je Vermogen aan
Reken op 80 tot 100 uur studietijd — aanzienlijk meer dan de 50-60 uur voor een gemiddelde specialisatiemodule. Verdeel je studie in drie fasen.
Fase 1 (week 1-2): de basistheorie. Werk de toetstermen door en zorg dat je de kernbegrippen beheerst: duration, TER (Total Expense Ratio), Sharpe-ratio, alfa, beta, en de verschillende beleggingscategorieen.
Fase 2 (week 3-4): regelgeving en adviesproces. Focus op MiFID II, SFDR, de geschiktheidstoets en het verschil tussen execution only, beleggen met advies en vermogensbeheer.
Fase 3 (week 5-6): oefenen met casusvragen. Maak minimaal vier volledige proefexamens. Analyseer elke fout en herhaal de bijbehorende theorie. Scoor je consistent boven de 75%? Dan ben je klaar voor het echte examen.