Flashcards WFT Basis
18 begrippen — draai de kaart, beoordeel jezelf en herhaal wat je nog niet kent.
Alle 18 begrippen — WFT Basis
Hieronder vind je een overzicht van alle begrippen en definities uit deze flashcardset.
- Wft
- De Wet op het financieel toezicht. De belangrijkste wet voor de financiele sector in Nederland, van kracht sinds 2007. Regelt het toezicht op financiele markten en bescherming van consumenten.
- AFM
- Autoriteit Financiele Markten. De gedragstoezichthouder die controleert of financiele instellingen eerlijk, zorgvuldig en transparant handelen richting klanten.
- DNB
- De Nederlandsche Bank. De prudentieel toezichthouder die controleert of financiele instellingen financieel gezond zijn en hun verplichtingen kunnen nakomen.
- Twin peaks-model
- Het Nederlandse model van financieel toezicht waarbij twee toezichthouders (AFM en DNB) elk een eigen taak hebben: gedragstoezicht en prudentieel toezicht.
- Zorgplicht
- De wettelijke verplichting voor financieel adviseurs om te handelen in het belang van de klant. Je moet een passend advies geven op basis van de financiele situatie, doelen en risicobereidheid.
- Ken-je-klant-principe (KYC)
- De verplichting om voldoende informatie te verzamelen over de financiele positie, kennis, doelstellingen en risicobereidheid van een klant voordat je advies geeft.
- Provisieverbod
- Het verbod voor financieel adviseurs om provisie (commissie) te ontvangen van productaanbieders. De klant betaalt de adviseur rechtstreeks voor het advies.
- Klantbelang centraal
- Het uitgangspunt dat het belang van de klant leidend moet zijn bij alle financiele dienstverlening. Dit is een kernconcept in de Wft.
- CDFD
- College Deskundigheid Financiele Dienstverlening. De organisatie die WFT-examens afneemt en diploma's uitgeeft.
- Permanente Educatie (PE)
- De verplichting om elke drie jaar een PE-examen af te leggen om je WFT-vakbekwaamheid te behouden. Toetst actuele ontwikkelingen in wet- en regelgeving.
- Slaagnorm
- Het minimale percentage dat je moet scoren om te slagen voor een WFT-examen: 68% voor alle modules.
- Financieel product
- Een product van een financiele instelling, zoals een lening, verzekering, belegging of betaalrekening. De Wft regelt het toezicht op deze producten.
- Bemiddelen
- Het bij elkaar brengen van een klant en een financieel productaanbieder met het oog op het tot stand brengen van een overeenkomst. Vereist een WFT-diploma.
- Adviseren
- Het doen van een aanbeveling aan een klant over een specifiek financieel product. Vereist een WFT-diploma en brengt zorgplicht met zich mee.
- Wwft
- Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Verplicht financiele instellingen om ongebruikelijke transacties te melden en clientonderzoek te doen.
- Bgfo
- Besluit Gedragstoezicht financiele ondernemingen. Bevat de uitwerking van de vakbekwaamheidseisen uit de Wft.
- Dienstverleningsdocument (DVD)
- Een verplicht document waarin een financieel adviseur vooraf vastlegt welke diensten hij levert en wat de kosten daarvan zijn.
- Klachteninstituut Kifid
- Het Klachteninstituut Financiele Dienstverlening. Een onafhankelijke geschillenbeslechter waar consumenten klachten over financiele dienstverleners kunnen indienen.
Hoe werken de flashcards?
Elke kaart toont een begrip uit de module WFT Basis. Tik op de kaart om de definitie te zien. Beoordeel daarna eerlijk of je het begrip al kende. Begrippen die je nog niet kent komen terug in een volgende ronde, zodat je gericht oefent op je zwakke punten.
Deze methode heet actief ophalen (active recall) en is een van de meest effectieve leertechnieken. In combinatie met herhaling leer je de stof sneller en onthoud je het langer.