Een overlijdensrisicoverzekering (ORV) keert een geldbedrag uit als de verzekerde overlijdt. Het doel is om nabestaanden financieel te beschermen, bijvoorbeeld voor het aflossen van de hypotheek of het opvangen van inkomensverlies. De ORV is puur een risicoverzekering — er wordt geen spaartegoed opgebouwd.
Wanneer is een ORV nodig?
Een ORV is vooral belangrijk als er nabestaanden financieel afhankelijk van je zijn. De meest voorkomende situatie is bij het afsluiten van een hypotheek: als een van de partners overlijdt, moet de ander de hypotheek kunnen betalen.
Ook bij gezinnen met jonge kinderen is een ORV belangrijk. Het verlies van een kostwinner kan financieel verwoestend zijn zonder adequate verzekering. Veel geldverstrekkers eisen een ORV als voorwaarde voor de hypotheek.
Soorten overlijdensrisicoverzekering
Er zijn twee hoofdsoorten. Bij een gelijkblijvende ORV blijft het verzekerde bedrag gedurende de looptijd gelijk. Dit is geschikt als het risico constant is, bijvoorbeeld bij een aflossingsvrije hypotheek of bij inkomensbescherming.
Bij een dalende ORV daalt het verzekerde bedrag mee met de afname van de schuld, zoals bij een annuiteitenhypotheek. De premie is lager dan bij een gelijkblijvende ORV, omdat het risico voor de verzekeraar kleiner wordt.
Premie en gezondheidsverklaring
De premie hangt af van je leeftijd, gezondheid, het verzekerde bedrag, de looptijd en of je rookt. Bij het afsluiten vul je een gezondheidsverklaring in. Bij hoge verzekerde bedragen kan een medische keuring nodig zijn.
Rokers betalen aanzienlijk meer premie dan niet-rokers. Ook het beroep en hobby's (zoals extreme sporten) kunnen de premie beinvloeden.
Fiscale aspecten
De uitkering van een ORV kan belast zijn met erfbelasting als het verzekerde bedrag naar de nabestaanden gaat. Door de polis op de juiste manier op te zetten (bijvoorbeeld via een kruislingse constructie) kun je erfbelasting voorkomen.
De premie van een ORV die gekoppeld is aan de hypotheek is niet aftrekbaar van de inkomstenbelasting. Dit is een belangrijk punt dat in het WFT-examen aan bod kan komen.